Grenzen in relaties: verantwoordelijkheid, geen controle

Het onderwerp grenzen is beladen. Zeker in relaties.

In situaties waarin sprake is van een machtsverhouding of een ongelijkwaardige relatie, gelden er andere verantwoordelijkheden voor de persoon met meer macht. In deze blog ga ik uit van een gelijkwaardige partnerrelatie.

Wat is een grens?
Een grens is een afscheidingslijn tussen twee gebieden. Een persoonlijke grens is de lijn die jou van niet-jou onderscheidt: het verschil tussen ik en niet-ik.

Een eenvoudig voorbeeld is onze huid. Die vormt de fysieke grens tussen wat van mij is en wat niet van mij is.

Ook emotioneel bestaat zo’n grens. Er is een onderscheid tussen wat van mij is en wat niet van mij is. Hetzelfde geldt voor verantwoordelijkheid: er is een grens tussen wat mijn verantwoordelijkheid is en wat niet. Wanneer je deze twee combineert, ontstaat er een belangrijke lijn: wat emotioneel gezien binnen mijn verantwoordelijkheid valt — en wat daarbuiten ligt.

Grenzen in partnerrelaties
In partnerrelaties dreigt deze grens gemakkelijk te vervagen. Door nabijheid en vervlechting ontstaat al snel de verwachting dat de ander (deels) verantwoordelijkheid neemt voor het beheren van mijn grens. In de blog “Je partner helpen? Niet doen!” ga ik hier uitgebreider op in.

Maar wat betekent grensbeheer eigenlijk?
Je kunt je grens voorstellen als een cirkel om je heen. Alles binnen die cirkel is van jou en dus ook aan jou om te beheren en te bewaken. Alles buiten die cirkel is in principe niet aan jou om te beheren. Tegelijkertijd kan wat zich buiten jouw cirkel bevindt wél invloed hebben op wat er binnen gebeurt. Dat betekent dat je je ertoe te verhouden hebt — zonder het te hoeven controleren.

Van beïnvloeden naar verantwoordelijkheid
Stel dat ik angstig word wanneer iemand tijdens een ruzie tegen mij schreeuwt. Dan heb ik me te verhouden tot mijn angst, eerder dan tot het gedrag van de ander. Toch proberen we vaak het gedrag van de ander te beheren — of te manipuleren — zodat wij ons niet meer angstig hoeven te voelen. We vinden dat meestal heel logisch en zeggen bijvoorbeeld:

“Ik wil niet dat je tegen me schreeuwt.”

Op dat moment maak ik mezelf afhankelijk van de ander. Ik hoop dat diegene stopt met schreeuwen. En als dat niet gebeurt, resteert vaak maar één optie: mijn poging tot beïnvloeding opvoeren, in de hoop alsnog het gewenste gedrag af te dwingen.

Maar het is mijn grens.
Er komt iets mijn cirkel binnen dat ik niet wil, en dat betekent dat het aan mij is om die grens te beheren.

Dat betekent niet dat de ander iets fout doet. Die is bezig met voor zichzelf zorgen — mogelijk niet op de meest constructieve manier, maar dat is niet aan mij. Mijn oordeel daarover is niet relevant. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de ander ligt niet bij mij, en bovendien heb ik daar vaak maar beperkte invloed op. Pogingen om het gedrag van de ander te veranderen kosten vooral mijn energie — energie die ik dan niet meer kan inzetten voor het verzorgen van mijn eigen cirkel.

Boosheid als signaal
Wanneer een grens van mij wordt bereikt of overschreden, heb ik iets te doen. De eerste stap is het herkennen en erkennen van die grens. Boosheid heeft hierin een belangrijke, constructieve functie: het is een alarmsysteem.

Boosheid betekent:
“Er gebeurt iets dat ik niet wil.”
Niet: “De ander doet iets fout.”

Je kunt boosheid zien als een bel aan een draadje. Wanneer iemand tegen mijn grens aanloopt, gaat die bel rinkelen. De vaak krachtige energie van boosheid helpt mij vervolgens om die grens kenbaar te maken.

In partnerrelaties gaat dit vaak mis. In plaats van te benoemen wat er in ónze cirkel gebeurt, wijzen we naar de ander. We oordelen over diens gedrag en — soms subtiel, soms expliciet — zeggen we wat de ander zou moeten veranderen. De kans is groot dat de ander boos wordt, en dat is begrijpelijk. Op dat moment bemoei ik me namelijk met diens cirkel. Als het goed is, gaat bij die ander dan ook een belletje rinkelen.

Grenzen bewaken met consequenties
Wie zijn grens zelf wil beheren, zal consequenties moeten formuleren die hij of zij zelf kan uitvoeren. Niet om de ander te straffen, maar om de eigen grens intact te houden.

Een voorbeeld
Als je je naar voelt wanneer iemand tegen je schreeuwt, ligt daar een grens.

Je zou kunnen zeggen:
“Ik wil niet dat je tegen me schreeuwt.”

Hopelijk is inmiddels duidelijk dat dit geen constructieve manier is om met jouw grens om te gaan. Wat wél passend is, zou bijvoorbeeld zijn:

“Ik voel me erg naar wanneer iemand tegen me schreeuwt.
Als je besluit te schreeuwen, respecteer ik dat, maar dan stap ik uit het gesprek of verlaat ik de ruimte om voor mezelf te zorgen.”

Hier beheer je je eigen grens, zonder de ander te hoeven controleren.

Grenzen gaan niet over het sturen van de ander, maar over verantwoordelijkheid nemen voor jezelf. In relaties vraagt dat moed, helderheid en de bereidheid om ongemak te verdragen. Maar juist daar ontstaat ruimte voor gelijkwaardigheid en echte verbinding.

Vertrouwen is geen veiligheid

Mij werd gevraagd een artikel te schrijven over vertrouwen. Dat woord roept bij mij vooral verwarring op. Daarom ben ik dit gaan benaderen als een onderzoek: wat betekent vertrouwen eigenlijk, en waarom schuurt het voor mij?

Volgens de Van Dale gaat vertrouwen over een redelijke verwachting dat een ander jou geen pijn zal doen, waardoor er ruimte ontstaat om je kwetsbaar te verbinden. Die definitie klinkt logisch, maar wringt zodra vertrouwen wordt gebruikt als oordeel over de ander: “Jij bent niet te vertrouwen.”

In die uitspraak zit impliciet de verwachting dat de ander jou niet zal kwetsen wanneer jij je kwetsbaar opstelt. En precies daar ontstaat voor mij de verwarring. Want die verwachting klopt niet. Elkaar kwetsen is onvermijdelijk wanneer we elkaar werkelijk willen ontmoeten.

Wanneer jouw IK en mijn IK elkaar raken — onze grenzen, onze behoeftes, onze angsten — dan gaat dat soms pijn doen. We zullen elkaars grens betreden. Of we komen juist niet opdagen op onze eigen grens. Je kunt erop vertrouwen dat ik jou soms pijn zal doen. En ook dat ik mezelf soms niet volledig inbreng in de ontmoeting.

Dat doet pijn. Het stelt teleur. En het raakt oude herinneringen en overtuigingen in jou, die verdriet of angst oproepen. De boosheid die dan ontstaat is geen probleem, maar een signaal: hier is een grens geraakt.

Die ervaring mag je kenbaar maken aan mij, zodat ik daar met meer respect mee om kan gaan. Dat kan betekenen dat ik een stap terug doe omdat ik te ver over jouw grens heen ging. Of juist dat ik mezelf meer moet laten zien, omdat ik te weinig opdook. Het kan ook zijn dat onze grenzen op dat moment simpelweg niet op elkaar aansluiten. Dan kunnen we besluiten de ontmoeting af te ronden.

Op die manier behouden we onze eigen ruimte, bewaken we onze grenzen en blijven we respectvol naar elkaar. Je voelt waarschijnlijk hoe uitdagend dit is — en hoe vaak het niet zo “mooi” lukt als hier beschreven. Juist daarom is pijn af en toe onvermijdelijk wanneer we elkaar ten volle willen ontmoeten.

Wanneer ik kies voor een liefdesontmoeting, kies ik dus bewust voor de mogelijkheid om gekwetst te worden. Voor een intieme ontmoeting waarin jouw grens de mijne raakt, zodat ik je kan voelen, zien en kennen. Elke ontmoeting waarin dat risico wordt vermeden, is geen intieme ontmoeting. Geen ontmoeting van liefde.

Dat roept voor mij de vraag op: hoe gebruiken we het woord vertrouwen in liefdesrelaties, als vertrouwen betekent dat we redelijkerwijs mogen verwachten dat de ander ons geen pijn doet?

Voor mij gaat vertrouwen dan niet over veiligheid, maar over durf. De durf om mij te melden aan de grens, terwijl ik weet dat ik daarmee het risico loop gekwetst te worden. Misschien gaat vertrouwen wel over de mate waarin ik bereid ben mezelf opnieuw in een liefdesontmoeting te brengen met jou.

In dat licht betekent “ik vertrouw je niet meer” misschien iets anders. Misschien betekent het: ik durf mezelf niet meer in te brengen in de ontmoeting met jou. En wanneer dat een blijvende staat wordt, durf ik niet meer in een liefdesrelatie met jou te zijn.

Dat voelt voor mij meer als een wilsbeschikking dan als een vertrouwenskwestie. Het maakt mij minder afhankelijk van het gedrag van de ander. Minder slachtoffer. En het maakt de ander minder fout, minder dader, minder verantwoordelijk voor mijn keuze.

Ik hoorde ooit een definitie van een slecht mens: iemand die niet de wil heeft om te leren van zijn fouten. Ik kan me voorstellen dat mensen die bewust over de grenzen van anderen gaan, terwijl ze weten waar die grenzen liggen, geen prettige mensen zijn. Zeker wanneer dat gepaard gaat met macht of kracht, wordt het verwijtbaar.

Maar als iemand aanspreekbaar is, verantwoordelijkheid neemt en de wil heeft om het anders te doen — ook al lukt dat niet perfect — dan zie ik daarin menselijkheid. De menselijkheid van een goed mens.

Misschien kun je spreken over het verlies van vertrouwen wanneer je het vertrouwen verliest dat iemand een goed mens is. Dat is een zware aanname over iemands karakter. Maar ongeacht of die aanname klopt, lijkt het mij dan noodzakelijk om zelf uit die (liefdes)ontmoeting of relatie te stappen.

Tot die tijd blijft de uitdaging: jezelf ten volle inbrengen, je grenzen kenbaar maken en bewaken. En dat ook van de ander verlangen. Je mag erop vertrouwen dat dit regelmatig pijnlijke momenten oplevert.